Selecteer een pagina
Voorbij de geroosterde Efteling gered door een man met één been

Voorbij de geroosterde Efteling gered door een man met één been

Voorbij de geroosterde Efteling gered door een man met één beenTijdens de koffie in Ninh Binh besluiten we met behulp van onze navigatieapps naar Hoa Lu te fietsen en van daaruit misschien wel naar Ken Gha, het drijvende dorp. Probeer dit laatste dorpje vooral niet te vinden op een kaart of navigatie app, want we hebben het geprobeerd via een provisorisch getekend en daarna eindeloos gekopieerd plaatje. Hoa Lu zou een voormalige hoofdstad zijn van het verenigde Rijk van de Grote Viet. En dan hebben we het over een tijdperk dat um en um loopt van 968 tot 1009. Bij een overdekte opgraving zouden dan enkele restanten van fundamenten te bezichtigen zijn. Meer is er niet over van de gebouwen uit die tijd. Wel van de tempels uit de zeventiende eeuw die overigens tot op de dag van vandaag goed onderhouden zouden worden. We gaan het zien. Of niet?

Het wordt een hopeloze, maar bijzonder mooie tocht door rijstvelden en langgerekte plattelandsdorpjes. Eerst lijkt de app ons direct naar Hoa Lu te voeren, maar dan stuurt het ons naar een weggetje over een riviertje. Op zich geen probleem natuurlijk als er een bruggetje was geweest. Die is er dus niet. En na wat heen en weer rommelen en zoeken besluiten we het weggetje waar we op rijden te vervolgen. We zullen wel zien waar we uitkomen. Dit besluit voert ons langs een idyllisch meer met daar tegenover een sfeervolle homestay, waar mensen op een veranda ontspannen zitten te praten, te drinken en te eten. Het weggetje komt uiteindelijk uit op een grote weg die we rechtsaf inslaan, in de richting die een eind terug niet mogelijk was vanwege het ontbreken van een bruggetje. Deze weg biedt de bizarre, om niet te zeggen lugubere aanblik van een lange rij kraampjes met geroosterde geitjes in fraai gestileerde poses: springend, tegen elkaar aan liggend, spelend met elkaar. Allemaal tableau morts met geroosterde geiten. Belle vraagt aan één van de kraameigenaren of ze een foto mag maken. Dat mag niet, dus doet ze het stiekem onder het mom dat ze een appje binnenkrijgt.
Deze route voert ons inderdaad over het water en voor een korte tijd beleven we de illusie dat we Hoa Lu gaan bereiken totdat we uitkomen op het weggetje dat ons daarstraks langs het idyllische meertje en de tegenovergelegen homestay voerde (en nog steeds zal voeren natuurlijk tenzij ze in de tussentijd het meer hebben leeggepompt en/of de homestay hebben afgebroken). Dus slaan we linksaf in de richting waaruit we zijn gekomen om te zien of we wellicht iets hebben gemist. Maar inmiddels heb ik verschillende jonge toeristen op scooters zien rondrijden. Hij achter het stuur en zij turend op haar mobiele telefoon met daarop – naar ik vermoed – een navigatieapp als dat van Belle. Ook deze stelletjes lijken in verwarring omdat ze niet vinden wat ze zoeken.

Uiteindelijk keren we toch maar weer om en rijden wederom langs het meertje en de homestay naar ‘de geroosterde Efteling’. Deze keer slaan we linksaf, maar na een kilometer of twee besluiten we dat ook deze poging zinloos is. We stoppen op een zanderige zijweg en even later krijgen we gezelschap van een Italiaanse schone op een scooter met uiteraard een smartphone in haar hand. Voor hetzelfde geld is ze een Spaanse of een Poolse schone, maar aangezien ze op een scooter zit houd ik het op een Italiaanse. Ook zij is tot nog toe zonder resultaat op zoek naar Hoa Lu (het lijkt wel een door de overheid georganiseerde puzzel/speurtocht). De twee dames gaan in overleg.
Nu kan ik me voorstellen dat u inmiddels denkt ‘doet die man die deze verhalen vertelt zelf ook nog iets of laat hij alles aan “zijn’ Belle over?”. Het antwoordt luidt: ik houd de fiets vast en probeer deze niet om te laten vallen.
De twee dames komen er niet helemaal uit, maar volgens de Italiaanse scooteramazone moet het een kilometer of vijf verderop zijn, aan de rechterkant. En ‘zoef’, weg is ze. Wij er achteraan. Niet om haar te volgen of zelfs in te halen, maar gewoon omdat wij ook die kant op moeten.

Een kilometer of tien verderop passeren we aan de rechterkant een groot en feestelijk opgetuigd terrein met kraampjes en aan de linkse kant een luxueus aandoend hotel-restaurant, dat tevens dienstdoet als start- en eindpunt voor de bootjesreizen op de rivier. We laten deze gelegenheden zowel links als rechts liggen, maar komen na pakweg tweehonderd meter tot stilstand omdat ik een lekke band heb. De ene fiets is hier inderdaad net zo goed als de andere. Maar deze keer zijn we verder ‘van huis’ dan twee dagen geleden. Een kilometer of twaalf om bijna precies te zijn.
Wat nu? Onze eerste reflex is om dan maar terug te lopen. De navigatieapp geeft aan dat we daar een uur of tweeënhalf, drie voor nodig hebben. Het is nu twee uur ’s middags, dus dan zijn we vanmiddag rond half vijf, vijf thuis. Ruim voordat de bus naar Hué vertrekt, maar wel een hoop gedoe en niet al te opwindend.
‘We kunnen ook een taxi nemen’, opper ik en Belle kan zich daar wel in vinden.
‘Dan kunnen jij en je fiets terug naar het hotel. Ik fiets wel.’
Het komt geen moment in me op om te zeggen: ‘Ben je nou helemaal gek! Als er iemand gaat fietsen dan ben ik dat.’ In plaats daarvan zeg ik: ‘Ja hé, dat zou de tweede mislukte fietsdag betekenen. Ik ga echt niet met de taxi. Dan nog liever lopen.’ Blijkbaar heb ik toch nog zoiets als eergevoel en dat valt me best wel tegen van mezelf.

We wandelen met de fietsen aan de hand terug naar het ‘festivalterrein’ en controleren bij de bromfietsstalling of ze ons kunnen helpen. Nee dus. Ze tonen de interesse van een druipkaars en uw weet zelf ongetwijfeld uit ervaring hoe schaamteloos die dingen de hele boel altijd onder druipen zonder zich er ene moer van aan te trekken. Ze kunnen ons niet helpen en zijn ook absoluut niet van plan om daar enige poging toe te doen. Èn passant wekken ze ook de indruk dat er in een straal van 500 kilometer ook niemand is te vinden die dat wél wil of kan. En of we nu maar heel snel willen opflikkeren, want we staan in hun zonnetje.
Je kunt ervan vinden wat je wilt, maar het is wél duidelijk. Vietnamezen. Òf ze betrekken hun hele familie plus al hun buren en kennissen erbij òf je kunt aan het gas. Het is zwart òf wit, alles òf niks. Geen middenweg. I just love it.

Belle en ik lopen door. Linksaf het terrein dat vol staat met kraampjes en in het midden van het looppad – op geregelde afstand – een man in een blauw uniform. Het zouden zomaar politieagenten kunnen zijn. Of niet. Geen idee eigenlijk. Want ik zie ook mannen in goudkleurige uniformen rondlopen. Ook geen idee wat die mannen betekenen. Zijn ze hoger dan de blauwe? Anders?
We lopen tot aan het punt dat de marktkraampjes aan onze linkerhand plaats maken voor parkeerplaatsen. Daar worden we staande gehouden door een blauwgeüniformeerde die ons duidelijk maakt dat het niet de bedoeling is om met de fiets aan de hand over het terrein te wandelen. We moeten terug naar het begin van het terrein, naar de (brom)fietsstalling. Ik probeer de man met een unieke mimevoorstelling – waarbij ik overigens handig gebruik maak van de fysiek aanwezige slappen band – duidelijk te maken wat ons probleem is. In de hoop uiteraard dat hij ons verder helpt. Maar die hoop is ijdel. Het interesseert hem geen reet. Dit terrein is verboden voor fietsen. We moeten terug naar start. En als je er even oven nadenkt, klopt dat zowel letterlijk als figuurlijk: terug naar start. We zijn al met al nog geen jota opgeschoten en staan nu definitief op het punt om dan maar terug te wandelen. Maar dan valt mijn oog op een kantoortje met veel glaswerk – het ‘glazen kantoor’ zeg maar – dat op mij de indruk wekt dat we er terechtkunnen voor toeristische informatie. Wellicht dat zij ons wél verder kunnen helpen met mijn lekke band. In het glazen kantoor zitten een jongeman en een jonge vrouw en aangezien de jonge vrouw aan het bellen is, wend ik mij tot de jongeman. Z’n Engels is niet al te geweldig, maar op de één of andere manier lijkt hij direct te begrijpen wat ik bedoel:
‘Wacht tien minuten’, zegt hij, waarna hij z’n telefoon pakt.
Ik weet niet waarom en ook niet hoe zoiets werkt. Als de één iets zegt, denk je: ‘jij niet en je hele familie niet, nu niet, never niet, nooit niet.’ Bij een ander denk je in exact dezelfde situatie: ‘Dat komt goed.’ Dat is nu dus het geval. We lopen naar het dichtstbijzijnde kraampje voor een soort van Cornetto voor mij en mango met maggizout voor Belle. Alles in de overtuiging: ‘dat komt goed.’

We hoeven niet eens tien minuten te wachten, want na zes minuten en drieëndertig seconden komt de toeristenman uit het glazen kantoor naar ons toe gelopen om te melden dat de mobiele fietsenmaker is gearriveerd. We staan direct op en lopen naar mijn fiets die aan de andere kant van het glazen kantoor staat en waar nu ook de mobiele fietsenmaker is.
Nu hebben wij in Uden ook een mobiele fietsenmaker. Die woont bij ons achter in de Bogerdstraat en heeft een busje waarmee hij naar je toe komt als je hem belt op het mobiele nummer dat op de zijkant van zijn bus staat. Op zich een vreemd uitgangspunt, want je hebt als fietser zijn busje niet ‘bij de hand’ op het moment dat je pech hebt. Maar je kunt z’n nummer ook opzoeken op je smartphone natuurlijk. Ik heb hem ook wel eens gebeld, maar toen nam hij niet op. En hij belde ook niet terug. Maar goed, deze mobiele fietsenmaker heeft wél opgenomen. Hij heeft ook geen bus met z’n mobiele nummer op de zijkant, maar een speciaal geprepareerde fiets. Zonder een mobiel nummer op de zijkant. Hij heeft ook niet twee benen – zoals de meeste fietsenmakers – maar slechts één. Vandaar ook die speciaal geprepareerde fiets.

Een eenbenige, mobiele fietsenmaker schijnt toch ook hier in deze contreien wel iets bijzonders te zijn. Naast de toeristenman uit het glazen kantoor verzamelen zich in geen tijd drommen mensen om hem heen, terwijl hij op de grond gaat zitten. De omstanders zijn zeer wel bereid om de eenbenige, mobiele fietsenmaker een handje te helpen. Maar hij is handig genoeg om de klus in z’n eentje te klaren.
Uiteindelijk blijkt mijn fietsband niet eens lek. De eenbenige, mobiele fietsenmaker wijst naar het ventiel ten teken dat hij vermoedt dat dát het probleem. En dan ga ik er gemakshalve maar vanuit dat hij bedoelt dat die niet goed aangedraaid was. Anders staan we over een kilometer of twee weer langs de kant van de weg en waar is dan de eenbenige, mobiele fietsenmaker om ons te helpen? Nou ja, we zien wel.
Hij rekent 30.000 vd voor zijn diensten en we geven hem 100.000 vd. Ik houd mezelf voor dat ik die ruime fooi niet geef vanwege zijn ontbrekende been.

Met twee functionerende fietsen staan we voor het dilemma: zoeken we door naar Hoa Lu of keren we terug naar ons hotel? U voelt hem al: wij gaan door. Waarom voor zekerheid gaan als het onzekere ook een optie is? Het levert weer kilometerslang helemaal niks op, maar dan lijkt er weer iets te gebeuren. We passeren rechts een grote, stoffige parkeerplaats en links van ons loopt een drukbezocht looppad hoor de bergen in. Heel mooi en als we hier vroeger op de dag waren gearriveerd, waren we zeker naar boven gelopen. Maar daar is nu geen tijd meer voor. We moeten dóór naar Hoa Lu. De tijd dringt.

Uiteindelijk zien we aan de linkerkant van de weg een groot ceremonieel veld dat we oprijden. We komen uit bij een gebouwtje waarbinnen inderdaad de minimale resten van een oud paleis geconserveerd op een meter of drie verzonken in de grond liggen. Het is dat er een gebouwtje omheen staat, dat ze er schijnwerpers op hebben gezet, dat er museale borden met foto’s en uitleg (helaas in het Vietnamees) zijn opgehangen en dat er twee supposten bij staan. Anders had ik het niet herkend als de resten van een duizenden jaren oud paleis. Is dit waar we nu de hele dag naar op zoek zijn geweest? Is dit Hoa Lu? Ik heb geen idee. Naast deze opgravingen staat uiteraard ook een tempel die we uiteraard ook binnengaan. Is dit wellicht Hoa Lu? Het zou zomaar kunnen. Even verder staat nog een veel groter complex waarvoor je ook entree moet betalen. Zou dat dan Hoa Lu zijn? Aangezien je ervoor moet betalen lijkt dat het meest waarschijnlijke. Maar we hebben geen tijd meer. De bus en zo. Stel dat ik weer een lekke band krijg … Ik moet er niet aan denken. Maar goed, we hebben de hele dag gefietst én iets bezienswaardigs gezien. Geen idee wat, maar een kniesoog die daarop let.

Terug in The Long Hotel leveren we onze fietsen in, eten iets en wachten in de lobby op de bus naar Hué. Zo te zien zijn er meer toeristen op dat idee gekomen, want de lobby zit vol met jongen vakantiegangers en hun bagage. En inderdaad beweegt die hele meute uiteindelijk de bus in.
Belle en ik nemen twee van de drie achterste stoelen in beslag. Ik aan het raam, Belle in het midden naast een jong Engels meisje. Hoogste tijd om de nieuwverworven jerrycan met rijstwijn open te trekken en ons aan de inhoud te verwarmen.

 

Lees verder: Gefopt door Beavis en Butthead